Broederschap
In de film Trois Couleurs: Rouge van de Poolse regiseur Krzystof Kieslowski staat het thema van de broederschap centraal.
In die film komt een discussie voor tussen het hoofdpersonage Valentine (Irène Jacob), en een oude heer (Jean-Louis Trintignant) die als gepensioneerde en verbitterde rechter de telefoongesprekken van zijn buren bespionneert. Valentine rijdt met haar autotje zijn hond, Rita, aan en zo komt ze bij hem terecht. Hij vraagt haar: ‘Waarom heb je Rita van de straat geraapt?’ Haar antwoord: ‘Ik had haar overreden. Ze was gewond, ze bloedde’. Hij is sceptisch en zegt: ‘Anders had u zich schuldig gevoeld en zou u spijt hebben gekregen. Dan had u vast gedroomd van een teefje met een verbrijzelde kop’. Ze ontkent dit niet en zegt ‘Ja’. ‘Voor wie hebt u het dus eigenlijk gedaan?’ is daarop zijn ultieme vraag.
Met een blik die over lijkt te lopen van medelijden antwoordt ze: ‘U vergist zich’. ‘In welk opzicht?’ vraagt hij direct. ‘Helemaal. In alle opzichten. U hebt het helemaal mis’.
‘Met u kan je eigenlijk alleen maar medelijden hebben’, zegt ze ook nog, vlak voor ze vertrekt. En op de valreep: ‘Ik weet niet of u het weet, maar de hond krijgt kleintjes’.
De emoties spreken meer hier dan de woorden. De vraag is natuurlijk niet: ‘Heb je mijn hond teruggebracht omdat je zelf van je slechte gevoel af wilde komen?’ De vraag is: Waarom krijgen we een slecht gevoel als een ander, zelfs een hond, zou ik durven zeggen, in nood is? Waarom geeft mijn maag alles weer over, als ik ondervoedde kinderen zie met vel over been en extreem opgeblazen buiken en vliegen in hun ogen? Waarom springen de tranen me in de ogen als ik familieleden van slachtoffers van de nu terecht staande generaal Mladic op het nieuws aan het woord zie; bij één machteloos handgebaar?
Broederschap is niet één of ander ideaal dat men, ten tijde van de Franse revolutie, met geweld in ons in heeft proberen te stampen door propaganda, als gevolg van angst of simpelweg met de hulp van bruut geweld, zoals bijvoorbeeld het nazisme of andere zogenaamde ‘idealen’. Het is een ‘ideaal’, als je het zo wilt noemen, dat in ons zit, in onze onderbuik en we kunnen niet anders dan er aan toegeven.
Waarom zou ik mij slecht voelen als ik een ander in moeilijkheden zie? Ik ben toch heer en meester over mijn innerlijk? Eerder in het gesprek zegt Valentine, op de smalende suggestie van de oude rechter dat ze zich misschien beter zou voelen als ze boodschappen zou gaan doen voor de zieke buurvrouw die hij afluistert: ‘Misschien voelt zij zich dan beter’.
In de film klinkt dat niet moralistisch. De vraag is gewoon waarom we de omweg nodig zouden hebben over het geluk van een ander om zelf gelukkig te zijn, als het waar is dat die daar niets mee te maken heeft.
